Essay • Muziek

Ode aan Country

Sturgill Simpson in Paradiso, 4 maart 2025. Twee uur tikt de set aan, maar Simpson is nog niet klaar. Hij neemt een slok van zijn bier, kijkt het publiek in en grijnst: “If you gotta go home for the babysitter, you’re excused.” Gelach, geroezemoes, mensen die een blik wisselen: gaan we door? Hij denkt van wel. De energie in de zaal verschuift. Het strakkere regime van de eerste helft maakt plaats voor een losgeslagen, duivels bevlogen slotstuk.

Nu de discrepantie tussen mijn gevoel en de realiteit over Amerika steeds groter wordt, zoek ik verrassend vaak mijn toevlucht in countrymuziek. Jimmie Rodgers, Hank Williams, George Jones vormden voor mij altijd al een vluchtheuvel wanneer oplopende emoties erom vroegen. Ook Johnny Cash, Waylon Jennings, Merle Haggard, Willie Nelson en Kris Kristofferson konden me een goed gevoel geven door de ellende van een ander te bezingen. Tranen in bier geplengd, gebroken harten en gesomber over eenzaamheid. Als een mens daar niet van opknapt!

Maar country is veel meer dan droefenis en nostalgie. Ze is een ontembare, grensoverstijgende kracht, een muziekstroming die zich niet laat reduceren tot een karikatuur van cowboyhoeden, puntlaarzen en dronken liefdesverdriet, zoals ik onlangs weer kon ervaren bij het fantastische optreden van Sturgill Simpson in Paradiso. Er zijn steeds weer artiesten en bands die het genre opnieuw tot leven wekken en haar afstoffen voor een eigentijds publiek. Simpson bewees dat genres slechts een menselijke poging tot ordening zijn, dat country rock kan zijn en rock country.

“The silence of a falling star / lights up a purple sky / and as I wonder where you are / i’m so lonesome, I could cry”
(Hank Williams)

Country heeft blijvende sporen getrokken in mijn muzikale leven. Er gaan maanden voorbij dat ik er niet naar taal, maar weg is ze nooit. Opgroeiend in de jaren tachtig was het trouwens pover gesteld met de country die vanuit de VS de oceaan overstak. Music City Nashville leverde gladgepolijste liedjes af en trok blikken clichés open. Ik herinner me nog Miley’s vader Billy Ray Cyrus en zijn mierzoete “Achy Breaky Heart” – of nog erger, de glamourcowboy Garth Brooks, die met zijn stadionvariant alle subtiliteit overboord gooide. Toch waren er ook genoeg zangers die het al te gladde commerciële parcours durfden te verlaten en muziek maakten die wel bij me aankwam, zoals Dwight Yoakam en Steve Earle. Vooral Earle sprak me aan, omdat hij zich minder maniëristisch dan Yoakam tot hardcore country beperkte en ook als folk- en rockzanger sterk uit de verf kwam. Bovendien ontsloot hij voor een groot publiek de oeuvres van Townes Van Zandt, Guy Clark en Jerry Jeff Walker. Yoakam deed dat voor countryzanger Buck Owens en diens Californische Bakersfield-sound.

Geen blinde vlek voor vrouwen hier – hun oeuvres overstijgen misschien nog meer dan bij hun mannelijke tegenhangers de traditionele country, vaak flirtend met folk, rock en blues, de melting pot die americana is gaan heten. De lijst is lang: Emmylou Harris, Linda Ronstadt, Bonnie Raitt, Dolly Parton, Trisha Yearwood, Tift Merritt, Iris DeMent, Neko Case, Sheryl Crow, Alison Krauss…

Soms betrap ik mezelf op inconsequenties in mijn smaak. Neem The Judds: moeder en dochter die hartverscheurend zongen over “Grandpa”, die maar weer eens moest vertellen over de good old days. Soft, sentimenteel, sleek and shiny. Maar ook onmiskenbaar mooi. En omdat ik, net als velen, soms met mijn ogen luister, zette ik Shania Twain niet uit als ze op tv verscheen. Over slechte smaak gesproken: “Islands In The Stream” is mijn ultieme guilty pleasure.

Met Chris Stapleton, Sturgill Simpson, Tyler Childers en Zach Bryan heeft country nieuwe fakkeldragers, die zowel eer betonen aan de traditie als de grenzen van het genre nog verder oprekken. Zoals ook een band als Big Thief doet. Geen pure country, maar er onmiskenbaar in geworteld met een ruwe emotionele intensiteit die doet denken aan de grootmeesters van weleer. Zangeres Adrianne Lenker zingt alsof haar hart constant op het spel staat, alsof ze elk woord weegt en snijdt. Hier is country niet een lachende cowboy op een tractor, maar een messcherpe ontleding van liefde, verlies en existentiële twijfel. Dit is country als een wijdlopig hart, een geluid dat niet in Nashville moet worden gezocht, maar in de klankkast van de menselijke ervaring.

Country is de stem van het hart en van verhalen die groter zijn dan de plaats waar ze zijn geboren. Ze reist, verandert en hervindt zichzelf steeds opnieuw. Dankzij een nieuwe generatie artiesten, pleitbezorgers en schatplichtigen vindt country een nieuw publiek, dat ontdekt dat het geen stoffig genre is, maar een muzikaal universum waarin verdriet, vreugde, verlangen en waarheid in hun meest pure vorm worden bezongen.

Zwart-wit

Countrymuziek is allang niet meer het exclusieve domein van de witte, protestantse man. Er is een rijke traditie van zwarte countryartiesten die vaak over het hoofd werd gezien in de dominante geschiedschrijving van het genre. Pioniers als Ray Charles, Charley Pride, Arthur Alexander en Solomon Burke bewezen al decennia geleden dat country niet aan kleur is gebonden. Darius Rucker, Dom Flemmons, Riannon Giddens, Mickey Guyton en Beyoncé laten zien hoe de zwarte stem in country vandaag nog steeds springlevend is. Het idee dat country exclusief ‘wit’ zou zijn, is een historische vertekening, ingegeven door segregatie en raciale vooroordelen. Gelukkig wordt dat beeld door steeds meer zwarte artiesten doorbroken, zoals op het vorig jaar verschenen album My Black Country, waarop elf Afro-Amerikaanse vrouwen songs van de zwarte songwriter Alice Randall vertolken.

Country zonder grenzen

Ooit was country de muziek van rednecks, mannen met een southern drawl die het leven bezongen vanuit de cabine van hun pick-uptruck, met een sixpack Budweiser op de achterbank en een pretty girl in skirt aan hun zijde. Wie zich met country inliet, werd lang gezien als boertig, een huilerig type met een te grote liefde voor eenvoud en sentimentaliteit. Politiek en maatschappelijk stevig rechts van het midden gehuisvest. Maar die voorstelling van zaken is achterhaald. Country is wereldser geworden, de thema’s breder, de accenten veelzijdiger.

Neem de jonge Canadese muzikant Bobby Dove die zich identificeert als non-binair. In een interview met Heaven na het verschijnen van diens album Hopeless Romantic vertelde Bobby: “Het is de combinatie van pijn en eenzaamheid, en toch ook plezier en gekte die in het genre kunnen samengaan. Dat viel samen met waar ik lange tijd mee worstelde in mijn leven. Ik had veel hartenpijn en was zoek naar mijn eigen identiteit, mijn eigen voorwaarden. Ik voelde me een rambler, een wanderer, en dat matchte met de verhalen die in veel countrysongs worden verteld.”

De ooit als lieflijke countryzangeres begonnen Taylor Swift is uitgegroeid tot een invloedrijke wereldster met een waardenpalet dat allerminst overeenkomt met dat van rechts-conservatief Amerika. Datzelfde kan worden gezegd van Dolly Parton, die zich politiek gezien wat meer op de vlakte houdt, maar een onverholen humanistisch wereldbeeld koestert.

Rebellie hoort bij country en het mooie is dat het genre uiteindelijk iedereen omarmt. Wie de Country Music Hall of Fame & Museum in Nashville bezoekt – iets wat zeer is aan te raden – kan bijvoorbeeld de fraaie Nudie suits van Gram Parsons bewonderen, terwijl die ‘langharige hippie’ met zijn psychedelische cosmic country in de jaren zeventig op zijn zachtst gezegd op weinig waardering vanuit Nashville kon rekenen. Beyoncé hoeft dus niet te wanhopen nadat haar album Cowboy Carter met pek en veren werd ontvangen, ook al niet omdat Dolly Parton en good ol’ Willie Nelson er hun zegen aan gaven.

Nelson was een van de ‘outlaws’, die in de jaren zeventig en tachtig botsten met de grote studio’s en hun met violen overspoelde producties. Met onder meer Johnny Cash, Waylon Jennings, Merle Haggard, Kris Kristofferson en Jessi Colter brachten ze de country weer terug naar de kern – met creatieve vrijheid als meest essentiële onderdeel – en plaveiden zo de weg voor wat tegenwoordig alt.country heet.

Wilco uit Chicago is tegenwoordig misschien wel het meest aansprekende voorbeeld van een band die teruggrijpt op de traditie, maar die verrijkt met invloeden uit alternatieve rock, folk en experimentele muziek. Op de albums Being There en A.M. hoor je nog honky tonk en twang, maar op latere platen zoals Yankee Hotel Foxtrot en Sky Blue Sky vermengen ze die roots met soms bijna avant-gardistische geluiden. Wijlen Geert Henderickx beschreef ooit hoe Wilco de emotionele zeggingskracht van country behoudt zonder zich te beperken tot traditionele structuren. In juni dit jaar zijn ze te bewonderen op festival Best Kept Secret.

Meer artikelen