

Michel Sluysmans (1979) behoort al decennialang tot de markantste theatermakers van Nederland. Als acteur op toneel en televisie, als regisseur en artistiek leider bouwde de geboren Simpelveldenaar een indrukwekkend oeuvre op, bekroond met onder meer een Gouden Kalf. Sinds 2015 is hij als artistiek leider verbonden aan Toneelgroep Maastricht, dat nationaal tot de top behoort. Volgend jaar bestaat het gezelschap vijftig jaar.
Hij probeert al zijn hele leven geen ontsnapping aan de werkelijkheid, maar een manier om via de verbeelding vat te krijgen op het leven. Lezen, schrijven, spelen en regisseren zijn voor hem verschillende verschijningsvormen van dezelfde zoektocht: begrijpen wat mensen beweegt. Alsof hij, vrij naar een beroemde dichter, uiteindelijk vooral in zijn verhalen werkelijk kan bestaan.
Hij is een culturele omnivoor. In zijn universum schuurt Beppie Kraft ‒ hij regisseert haar theaterprogramma Beppie 8.0 – langs Anton Tsjechov. Willie Nelson en Dolly Parton ontmoeten er Jonathan Franzen, Susan Sontag en Ilja Leonard Pfeijffer. Hij voelt zich even thuis bij de smartlap als bij de wereldliteratuur. Uiteindelijk maakt hij maar één onderscheid: kunst die iets wezenlijks blootlegt en kunst die dat nalaat.
Levenshouding
Een markante kop. De onafscheidelijke zwarte Adidas-trainingsbroek. Een rustige, bedachtzame manier van spreken waarin het Limburgs nog slechts als een zachte ondertoon hoorbaar is. Hij staat met beide voeten stevig op de grond, maar leeft van de geest. Zijn kunstenaarschap is geen beroep, maar een levenshouding.
Theater vormt de grammatica van zijn bestaan. Schrijven is de methode waarmee hij een tekst langzaam naar zich toe haalt; acteren en regisseren de manier waarop hij hem vervolgens onderzoekt. „Theater is de plek waar de waarheid zich laat zien in een verzonnen wereld.”
Zijn kunstenaarschap en zijn mensbeeld vallen samen. Zijn geloof is persoonlijk. Het vindt zijn oorsprong in de liefde, in de mens en in het leven. Zulke overtuigingen blijven alleen overeind wanneer ze steeds opnieuw worden verteld en bevraagd. Theater is voor Sluysmans dan ook bijna religie met andere middelen: een plek waar mensen zich rond een verhaal verzamelen, zich in een ander leren verplaatsen en voor even boven het alledaagse uitstijgen. „Theater vertelt verhalen en verhalen verbinden mensen.”
Zijn vertrouwen in de verbeelding is uiteindelijk een vertrouwen in de mens. Wie zich werkelijk kan inleven in een ander, kijkt anders naar de wereld. Daarom zoekt hij in zijn voorstellingen zelden de held of de overwinnaar. Zijn aandacht gaat uit naar de mens die ploetert, verlangt, liefheeft, faalt en zich ondanks alles staande probeert te houden.
Diep verlangen
Hij voelt zich verwant met de Russische toneelschrijver Anton Tsjechov (1860-1904), in wiens verhalen mensen nauwelijks vooruitkomen, maar waar onder de oppervlakte alles verschuift. Relaties kantelen, dromen slijten, verwachtingen botsen op de werkelijkheid. In die tragiek schuilt tegelijk een onweerstaanbare humor. Het is de wereld waarin Sluysmans zich thuis voelt en waarin hij als regisseur excelleert.
Want hoe ernstig zijn artistieke voorkeuren soms zijn, zijn manier van leven oogt opvallend licht. Hij lacht gemakkelijk, vertelt smakelijk en relativeert ook zichzelf met zichtbaar plezier. Ernst en humor ontspringen bij hem uit dezelfde bron: liefde voor de mens, met al zijn tekortkomingen, zijn verbeeldingskracht en zijn hardnekkige verlangen ergens thuis te horen.
Volgend jaar viert Toneelgroep Maastricht haar vijftigjarig bestaan. Een passend moment om terug te kijken met de acteur, regisseur en artistiek leider die al ruim tien jaar mede richting geeft aan een gezelschap waarin de menselijke maat het bindmiddel is tussen kleine producties, grote producties en spektakelstukken.
School
We ontmoeten elkaar in de artiestenfoyer van Parkstad Limburg Theaters in Heerlen. De Adidas-trainingsbroek blijkt geen statement. „Ik dacht op een gegeven moment: als ik nou gewoon alles hetzelfde heb, dan scheelt me dat denktijd. Dus heb ik vijf van die broeken, vijf van dit soort shirts. Klaar.” Mode zegt hem weinig, gemak des te meer. In zijn optiek is denktijd kostbaarder dan kleding.
Wanneer hij als gast lesgeeft aan de Toneelacademie Maastricht begint hij steevast met dezelfde vraag: „Wat is acteren?” De antwoorden gaan meestal over doen alsof. Over iemand anders worden. Zijn eigen antwoord luidt al jaren hetzelfde: „Acteren is persoonlijk en geloofwaardig overkomen in een verzonnen situatie.”
Daarna vertelt hij over de jongen die op het gymnasium koste wat kost de beste wilde zijn. „Ik ben met acteren begonnen tegen de pijn. Een streber was ik. Ik wilde negen negens op mijn eindlijst. Een acht maakte me diepongelukkig.”
Waarom juist negen negens? „Ik denk dat ik een conflictje met mijn broer had uit te vechten. Hij was vier jaar ouder dan ik. Alles wat ik op school meemaakte, had hij vier jaar eerder meegemaakt. Hij was altijd de beste van de klas. Mijn broer was mijn spiegel. Ik was misschien meer bezig mijn broer te worden dan mezelf. Volgens mij komen alle keuzes die mensen maken onbewust voort uit het vermijden van pijn. Op het moment zelf heb je dat niet door, maar pas veel later realiseer je je dat.”
Naar de kerk
Hij groeide op in Simpelveld, in een warm en sociaal gezin. Zijn moeder werkte op een kinderdagverblijf, zijn vader was sociaal-maatschappelijk werker bij de Limburgse Immigratiestichting. Thuis werd gelezen, geschilderd, muziek gemaakt en iedere zondag de kerk bezocht. Zijn ouders namen hem zelden mee naar de schouwburg, maar toen hij via school een goedkoop theaterabonnement kon krijgen, moedigden ze hem aan om te gaan. Ze begrepen zijn keuze voor het theater. Ze steunden hem, ook al leek een jongen met zulke cijfers voorbestemd voor een heel ander beroep.
Op gymnasium Rolduc kwam hij terecht bij docent Nederlands Broekmans. „Hij kon mooi vertellen. We hingen aan zijn lippen.” Voor een opstel over zijn droom om naar de toneelschool te gaan kreeg hij een tien. Onder het werk schreef Broekmans een persoonlijke boodschap die Michel nooit meer vergat. ‘Jouw verhaal rijt bij mij wonden van vroeger open. Omdat jouw droom ooit ook mijn droom was. Maar ik heb hem niet durven volgen. Ga naar de toneelschool en volg je droom.’
Vijf dezelfde trainingsbroeken, vijf dezelfde shirts en klaar
Broekmans regisseerde jarenlang ook het schooltoneel. „Dat wilde ik ook. Daar vond ik vrijheid. Daar werd ik gezien.”

De school des levens
Voordat hij auditie doet voor de toneelschool volgt Sluysmans een jaar lang de vooropleiding in Maastricht. Iedere zaterdag stapt hij in Simpelveld op de bus. Daar ontmoet hij leeftijdgenoten voor wie theater even vanzelfsprekend is als voor hem. Eerder nog leert hij op jeugdtheaterschool Partoet Servé Hermans kennen.
„Dat was een bepalende factor in mijn leven. Achteraf bleek het een heel bijzondere lichting. Tobias Kokkelmans zat erbij, Kim Zonneveld, Servé … Er zijn opvallend veel mensen uit voortgekomen die later hun weg in het theater hebben gevonden.”
Maastricht lijkt de logische bestemming. De werkelijkheid beslist anders. „Bij de auditie werd ik in de eerste ronde al afgewezen. Met een vage reden die ik me niet eens meer kan herinneren.”
In Amsterdam verloopt de auditie heel anders. „Ik was zeventien. Bleu. Zo’n eerste auditie duurt vijf minuten, maar ik had rekwisieten meegenomen. Een kostuum en iets van decor. Dus ik vroeg waar ik me kon omkleden. Ik vind dat nu zelf ook heel schattig. Ik heb later zelf in toelatingscommissies gezeten. Meestal denk je dan al vrij snel: laat maar. Maar ik kwam iedere ronde verder.”
Daar staat een jongen uit Simpelveld, met een zangerig Limburgs accent, een monoloog van Vondel te spelen. Jaren later spreekt hij een van de docenten die destijds in de toelatingscommissie zat. „Hij zei: we twijfelden. Je was knettergek of heel authentiek. En toen hebben we het risico maar genomen.”
De toelating brengt echter geen opluchting, maar paniek. „Ik begon te huilen. Niet omdat ik was aangenomen, maar ik was doodsbang voor een stad waar ik misschien twee keer was geweest. Ik kende er niemand. Maar ik wist ook: ik moet gaan. Ik wil acteur worden.”
Bevrijding
Amsterdam wordt een bevrijding. „Pas toen ik naar de toneelschool ging, begon mijn leven. Ik liep er naar binnen en dacht: wauw … wat zijn dit allemaal leuke mensen. Wat voel ik me hier thuis. Pas toen ontdekte ik hoe ongelukkig ik me daarvoor eigenlijk had gevoeld.”
Maar met de verhuizing laat hij nog iets achter: zijn Limburgse accent. „Dat moest vooral van mezelf. De stemdocent vond het eigenlijk niet zo’n probleem. Maar ik dacht: als ik een serieus acteur wil worden, moet ik van dat accent af.”
Gaandeweg beseft hij wat hij zichzelf eigenlijk heeft afgeleerd. „Dat is alsof je iets aflegt wat heel erg bij je hoort. Als je verdrietig bent, boos of dronken, val je terug in je moedertaal. Dat was voor mij het Limburgs.”
Nu kijkt hij er anders naar. „Het is een instrument. Ik kan mijn accent inzetten wanneer ik dat wil. Het is geen beperking meer.”
De toneelschool blijkt veel meer dan een acteursopleiding. „Het ging over literatuur, filosofie, muziek, schilderkunst en toneel. Maar uiteindelijk ging het over wat het betekent om mens te zijn.” Vanaf dat moment wordt lezen een levensbehoefte. „Ik denk dat ik er een leuker mens door ben geworden. Een geestiger mens. Een rijker en empathischer mens, omdat je levens leeft die je zelf nooit zult leven. Je kruipt in het hoofd van iemand anders. Dat vergroot je empathisch vermogen.”
Kleine levens
Boeken zijn voor Sluysmans geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een manier om haar beter te begrijpen. Voeling te kweken. Zich in te leven. Sommige schrijvers keren daarom steeds terug. Anton Tsjechov voorop. Het is geen toeval dat Sluysmans zich de afgelopen jaren met zichtbaar plezier en nationaal succes heeft toegelegd op nieuwe vertalingen van diens werk.
„Bij Tsjechov tekent de grote menselijke tragedie zich af in kleine levens. Dat vind ik zo ontroerend. Hij schrijft niet over helden of koningen, maar over gewone mensen. Over ons. In zekere zin is hij de uitvinder van de soap. Zijn stukken verzoenen je met de nutteloosheid van het bestaan. Dat werkt louterend. Behalve verdriet zit er ongelooflijk veel humor in. Mensen proberen iets van hun leven te maken, falen, staan weer op en gaan weer verder. Dat is tragisch, maar ook ontzettend komisch.”
Die liefde voor verhalen voert hem vaak naar de Verenigde Staten. Inmiddels doorkruiste Sluysmans het land negen keer, vrijwel altijd met een camper. Hij volgde ook de route langs Nashville, Memphis, New Orleans en de Mississippi, de plaatsen waar de muziek ontstond die hem al zijn hele leven vergezelt. „Het leuke is: als je naar Graceland gaat en je doet daar de Nederlandse audiotour, dan ben ik de stem van Elvis Presley.” Zijn broer ontdekte het pas jaren later. „Ik had dat twaalf jaar eerder ingesproken. Ik was eigenlijk verbaasd dat ze die opname nog steeds gebruiken.”
Grote bewondering
Sluysmans koestert grote bewondering voor de gelauwerde schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Die bewondering blijft niet beperkt tot diens boeken. Uit gesprekken groeit een samenwerking. Inmiddels schreef Pfeijffer meerdere toneelteksten voor Toneelgroep Maastricht. Professionele waardering mondt uit in een hechte vriendschap.
Toch is het niet in de eerste plaats Pfeijffers rijkelijke taal die hem fascineert, maar de vragen die daaronder schuilgaan. Vragen die ook in toneelteksten als Peachez steeds weer opduiken: wat is liefde, wat is waarheid en waarin schuilt de kracht van geloof?
„Bestaat de liefde echt? Of is ze een verzinsel van de mens? En het antwoord op allebei die vragen is: ja. Dat is precies wat ik zo mooi vind. Het is hetzelfde als met God. Het is helemaal niet God die onze levens verrijkt. Het is ons geloof in Hem dat ons leven verrijkt. Of God nu werkelijk bestaat of niet doet er uiteindelijk niet toe. Het geloof heeft een enorme kracht. Dat onderschrijf ik. En zo is het ook met de liefde. Het geloven in de liefde verandert ons leven. Ik vind dat een heel mooie, ontroerende en romantische gedachte. Helaas voor God en misschien ook voor mezelf geloof ik niet in Hem. Maar wel in de liefde.”
‘Bestaat liefde echt, bestaat God echt?’
Theater en religie delen volgens hem dezelfde oorsprong. „Het westerse toneel is voortgekomen uit religie. Uit de vieringen voor de oude Griekse goden.” Die gedachte kreeg een bijzondere lading toen hij de Passiespelen in Tegelen regisseerde, op basis van een nieuwe tekst van Frans Pollux. „Dat is natuurlijk een ongelooflijk verhaal. Los van de religieuze betekenis behoort het tot de fundamenten van onze cultuur. Iedereen denkt dat verhaal te kennen. Juist daarom wilde ik terug naar de bron. Wij kennen vooral de gekruisigde Christus. Maar daarvoor liep er een mens rond. Iemand die vrienden maakte, twijfelde, liefhad en verhalen vertelde. Daar begint het voor mij. Mij fascineert het verschil tussen de breekbare mens en de onverslijtbare mythe.”

Terug naar Limburg
In 2015 keert Sluysmans terug naar Limburg. Samen met zijn vriend Servé Hermans neemt hij de artistieke leiding van Toneelgroep Maastricht op zich. Vanaf het eerste gesprek ligt de koers vast. „We zijn een gezelschap dat zetelt in Maastricht. Ons directe publiek zijn de mensen die daar wonen. Maar laten we proberen een gezelschap te worden waar heel Limburg trots op is.”
Die ambitie krijgt gestalte in voorstellingen die wortelen in de provincie, haar geschiedenis en haar inwoners. Het publiek volgt. De bezoekersaantallen groeien. Toneelgroep Maastricht ontwikkelt zich tot een gezelschap dat ertoe doet, in Limburg en ver daarbuiten.
Juist omdat Sluysmans en Hermans zo verschillend zijn, vullen ze elkaar al jaren aan. Hermans voelt zich thuis in de grote gebaren en de locatieproducties. Sluysmans zoekt eerder de verstilling op, de literaire gelaagdheid en de vragen onder de tekst.
In november 2023 verlaat Hermans de toneelgroep als mede-artistiek directeur om zich op eigen producties te richten. Als regisseur en maker blijft hij wel aan het gezelschap verbonden.
Chemie van vroeger
Hun samenwerking verandert, hun vriendschap blijft. „Wij zijn altijd vriendschappelijk met elkaar geweest. We kunnen ontzettend met elkaar lachen. We vinden dezelfde dingen mooi, ontroerend, grappig of verbazingwekkend. Die chemie van vroeger is nooit verdwenen. Maar op het moment dat je samen directeur wordt van een gezelschap, word je ook collega’s. Dan gaan de gesprekken over rolverdeling, verantwoordelijkheden, begrotingen en de dagelijkse praktijk. In die periode kwam de vriendschap op een lager pitje te staan. Daar was gewoon minder ruimte voor.”
„Nu, als we elkaar zien, gaat het nooit meer over de raad van toezicht of de begroting van een project. Dan gaat het over hoe het met zijn zoon is, of we op vakantie gaan of welke film we hebben gezien. Er is weer meer ruimte voor het vriendschappelijke.”
Hij heeft veel waardering voor de grote locatieproducties waarmee Hermans een nieuw publiek bereikt. „Er komen mensen naar Het Geluk van Limburg of De Bokkenrijders die anders misschien nooit een theater zouden binnenstappen. Dat vind ik prachtig. Zo’n voorstelling kan een eerste kennismaking zijn. Misschien denken ze daarna: hé, er is nog veel meer. Dan komen ze ook naar een voorstelling van Toneelgroep Maastricht. Dat is geweldig voor het theater en de regio.”
Samen leiden
Sinds kort deelt hij de leiding van het gezelschap met zakelijk directeur Frans Hendrickx. Opnieuw iemand met een heel ander karakter. „Frans is mijn sparringpartner. We verschillen behoorlijk van elkaar en juist daarom werkt het zo goed. We houden elkaar scherp.”
Diezelfde open houding bepaalt zijn manier van leidinggeven. „Ik ben echt een teamspeler. Het beste idee telt. Of dat nou van de lichtontwerper komt of van de kaartjesverkoper. Alles en iedereen staat in dienst van de productie.”
Zelf noemt hij het artistieke leiderschap slechts een deel van zijn werk. „Regisseren is maar een derde. Een ander derde is produceren: zorgen dat een voorstelling haalbaar, schaalbaar en betaalbaar is. En het laatste derde is organiseren dat iedereen op hetzelfde moment op dezelfde plek is om die voorstelling te kunnen maken.”
Volgend jaar viert Toneelgroep Maastricht haar vijftigjarig bestaan. Een jubileum dat uitnodigt tot terugkijken. Zelf kijkt Sluysmans liever vooruit. Een bioscoopfilm regisseren staat nog altijd op zijn verlanglijstje. Maar ook een productie als De Erfenis van de hedendaagse Amerikaanse schrijver Branden Jacobs-Jenkins staat op de rol. „Disfunctionele families zijn een universele bron van inspiratie die terugvoert naar het begin van de wereldliteratuur. Het roept herkenning op. Kijk naar de beroemde openingszin van Tolstojs Ana Karenina: Alle gelukkige families zijn eender, maar iedere ongelukkige familie is ongelukkig op haar manier.”
Thuis
Zijn vrouw Lore Dijkman kent het theater van binnenuit. Ze werd opgeleid aan de Toneelacademie Maastricht en speelde jarenlang bij verschillende gezelschappen, onder meer bij Toneelgroep Maastricht. Toen Sluysmans in 2015 samen met Hermans de artistieke leiding op zich nam, maakten ze een heldere afspraak. „Lore is een geweldige actrice. Maar ik heb tegen haar gezegd: ik ga je nooit vragen om bij Toneelgroep Maastricht te spelen. Je bent goed, maar je bent ook mijn vrouw. Dat gaan we niet doen. Dat begreep ze meteen.”
Inmiddels koos Dijkman een andere weg. Tegenwoordig begeleidt ze bij Stichting Wereldwijd mensen die terugkeren naar hun land van herkomst. „Haar werk ligt me na aan het hart. Ze is bevlogen en begaan met die mensen.”
Het goede leven
Wie hem vraagt naar ambitie, krijgt geen verhaal over carrière of status. „Het goede leven is dat je je de luxe kunt permitteren om na te denken over je eigen ongeluk. Geld interesseert me op geen enkele manier, zolang ik geen schulden heb. Want schulden geven stress. Ik koop nooit kleren. Ik hoef geen dure auto’s. Ik heb eigenlijk niks nodig. Als ik mijn boodschappen kan doen, ben ik blij. Dan heb ik de rust. En dan kan ik mij de luxe permitteren om na te denken over het leven. Over worden wie je bent.”
Ook thuis gaan de verhalen verder. Twee keer per dag leest hij zijn kinderen voor. „In de ochtend twintig minuten en ’s avonds weer, van Harry Potter tot Jacques Vriens.”
Zijn liefde voor verhalen blijkt besmettelijk. „Nu zegt mijn dochter vaak: Pap, mag ík voorlezen?”
Foto’s: Hugo Thomassen








