

Je kent de afloop. Je weet wie verraadt, wie zwicht, wie zijn handen in onschuld wast en wie uiteindelijk aan het kruis eindigt. Toch blijf je kijken. Dat is de eigenaardige kracht van grote verhalen. Ze danken hun schoonheid niet aan de verrassing, maar aan de manier waarop ze zich telkens opnieuw laten vertellen. De Bijbel is daarvan misschien wel de grootste hofleverancier. Dat bleek opnieuw tijdens Kruisig Mij, de nieuwste editie van de Passiespelen in Tegelen.
Sinds 1931 wordt in de Doolhof in Tegelen eens in de vijf jaar het lijdensverhaal opgevoerd. Generaties vrijwilligers hebben het verhaal levend gehouden. De editie van dit jaar, geschreven door Frans Pollux en geregisseerd door Michel Sluysmans en Eva Custers, bewijst dat een traditie van bijna een eeuw niet hoeft te verstarren. Ze kan ademen, vernieuwen en vragen blijven stellen.
Als agnostische cultuurkatholiek geloof ik niet vanzelfsprekend in God, maar wel in de kracht van rituelen. Wierook, kaarsen, gregoriaanse gezangen en een kerk waarin het licht langzaam naar binnen valt: ze spreken nog altijd een taal die ik begrijp. Religie wordt vaak in verband gebracht met het Latijnse religare: verbinden. Misschien is dat precies wat mij blijft aantrekken. Niet de dogmatische zekerheid, maar de poging mensen met elkaar te verbinden.
Het plechtstatige openluchttheater, het geruis van de bomen, de julizon die soms verblindend over het speelveld trekt, het dorp dat zich met honderden spelers en vrijwilligers overgeeft aan één verhaal. Langzaam vergeet je dat je naar een constructie kijkt. Er rijdt ergens in de verte een brommer. Een vogel fluit. Je registreert het allemaal en toch verdwijnt het naar de achtergrond. Verbeelding neemt het ongemerkt over.
Frans Pollux speelt daar voortdurend mee. Zijn tekst gaat niet alleen over geloven, maar vooral over verbeelden. Elk verhaal vraagt om een sprong van de verbeelding. Dat geldt voor een roman van Tolstoj, een concert van Taylor Swift en evenzeer voor de laatste dagen van Jezus van Nazareth.
De tekst speelt ook een geraffineerd spel met onze verwachtingen. Jezus richt zich een paar keer rechtstreeks tot het publiek. Hij vraagt ons de ogen te sluiten en herinnert ons eraan dat wij de afloop al kennen. We zien hem al hangen terwijl hij nog midden in zijn verhaal staat. Tweeduizend jaar aan schilderijen, kruisbeelden en voorstellingen kijken met ons mee. De gekruisigde Christus heeft de wandelende Jezus bijna uit ons geheugen verdrongen. Die volgorde draait de tekst om. Eerst verschijnt de mens. Daarna pas de mythe.
Juist daardoor ontstond er tijdens het kijken iets merkwaardigs. Ik keek steeds minder naar historische figuren en steeds vaker naar mensen die ik meende te herkennen. Niet letterlijk, maar als mensentypen. De idealist. De pragmaticus. De volksmenner. De meeloper. De bestuurder die vooral de rust wil bewaren. De gelovige. De cynicus. Ineens liep de wereld van vandaag over het toneel, zonder dat er één actuele verwijzing nodig was.
Zelfs Jezus begon me af en toe te irriteren. Zijn nadruk op liefde en goedheid kreeg soms iets van een hedendaagse zelfhulpgoeroe. Ik moest moeite doen om die associatie los te laten. Juist daardoor werkte de voorstelling. Ze dwong me mijn eigen kijkpatronen onder ogen te zien. Nog sterker gebeurde dat bij Judas.
In de versie van Pollux wordt Judas gespeeld door een vrouw. Dat is geen provocatie, maar een vondst. De verrader verandert van karikatuur in mens. Je begrijpt haar twijfel, haar teleurstelling en haar verlangen de wereld werkelijk te veranderen. Jezus gelooft in de mens. Judas gelooft in het ideaal. Die tegenstelling loopt als een rode draad door de voorstelling en voelt verrassend actueel. Humanisten en idealisten ontmoeten elkaar zelden zonder wrijving.
Je gaat zelfs nadenken over een ongemakkelijke vraag: had het verhaal zonder Judas eigenlijk wel bestaan? Elke mythe lijkt haar schurk nodig te hebben. Dat besef maakt de figuur eerder tragisch dan verwerpelijk.
De voorstelling keert nog meer om. Traditionele mannenrollen worden door vrouwen gespeeld. Jezus rijdt Jeruzalem binnen in een bestelbus waarop een ezel is geschilderd. Heel even dacht ik aan de omkering van de Vastelaovend, waar de wereld eveneens een paar dagen op zijn kop staat. Toch ontstaat nergens de behoefte om heilige huisjes omver te schoppen. De voorstelling bewaart zorgvuldig haar morele hart.
Knap is ook hoe Michel Sluysmans en Eva Custers de grootschaligheid voortdurend dienstbaar maken aan de intimiteit. Meer dan tweehonderd spelers bevolken het podium, maar steeds weet de regie je blik naar de juiste ontmoeting te trekken. Naar een kus. Een blik. Een aarzeling. Juist daarin schuilt de zeggingskracht.
Het stuk roept vragen op. Wat is geloven eigenlijk? Wanneer wordt een overtuiging een ideologie? Wanneer slaat idealisme om in verblinding? Hoe ver ga je voor een idee? Waarom blijven verhalen van tweeduizend jaar oud ons nog altijd bezighouden? En hoe verhouden de sterfelijke mens en de onsterfelijke mythe zich tot elkaar?
Goede verhalen doen dat: ze stellen vragen en vallen ons lastig. Ze veranderen van taal, van decor en van tijd, terwijl hun kern onaangeroerd blijft. Je kent de afloop en toch ga je opnieuw kopje-onder. Samen met een paar duizend onbekenden. En wanneer het verhaal je weer loslaat, haal je even diep adem. Alsof je heel even deel hebt uitgemaakt van iets dat groter was dan jezelf.
Je zou er verdomme van in God gaan geloven. Stel je voor…
Foto afkomst van passiespelen.nl








